Citaat | Parket bij de Hoge Raad 20 september 2002

Alinea 41 Parket bij de Hoge Raad 20 september 2002

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 20 september 2002, ECLI:NL:PHR:2002:AE7842.

Uit de besproken arresten komt duidelijk naar voren dat het bepaaldheidsvereiste bij de akte van cessie of verpanding verre van strikt wordt uitgelegd. Zo is niet nodig dat de vordering in de akte wordt omschreven door vermelding van bijvoorbeeld de naam van de debiteur, het factuurnummer en het bedrag. Voldoende is dat de akte zodanige gegevens bevat dat, eventueel achteraf, kan worden vastgesteld om welke vordering(en) het gaat. Daarbij mag voor de bepaling van de vordering(en) (ook) gezocht worden in gegevens die buiten de akte liggen, zoals de administratie van de pandgever. Aldus beschouwd, is de (enige) achterliggende gedachte van het bepaaldheidsvereiste dat het object van de levering c.q. verpanding moet kunnen worden vastgesteld. Dit impliceert dat zodra de akte identificatie van het voorwerp van de levering of verpanding mogelijk maakt, eventueel achteraf en met behulp van nadere gegevens uit de boekhouding, het bepaaldheidsvereiste is vervuld.(4)

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/fde6a4b3aaa0364a75de28388b3ecc3418b919adf6213e3585d498be6cb4df99. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt fde6a4b3aaa0364a75de28388b3ecc3418b919adf6213e3585d498be6cb4df99, en de alinea staat in dat document op bytes 23202 tot 24187.