Citaat | Parket bij de Hoge Raad 22 november 2002
Alinea 78 Parket bij de Hoge Raad 22 november 2002
Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 22 november 2002, ECLI:NL:PHR:2002:AE8185.
2.17. In de bestreden overweging klinkt de rechtsopvatting door: dat het op de weg van [eiseres] lag om niet alleen te stellen, maar ook met argumenten te onderbouwen, welke overeenkomst gesloten zou zijn indien partijen zich tijdig zouden hebben gerealiseerd dat die goederen, waarvan de Sint Willibrordus Stichting reeds eigenaar was, niet aan haar verhuurd konden worden. Deze rechtsopvatting stelt m.i. te hoge eisen aan de stelplicht van de partij die zich op conversie beroept. De in art. 3:42 BW bedoelde conversie werkt van rechtswege en kan door de rechter ambtshalve worden toegepast. In het cassatiemiddel wordt terecht aangevoerd dat art. 3:42 BW op dit punt geen andere voorwaarden stelt dan dat de strekking van de nietige rechtshandeling in voldoende mate beantwoordt aan die van een andere, wel geldige rechtshandeling. Blijkens de parlementaire geschiedenis van deze bepaling, gaat het om hetgeen naar objectieve maatstaven moet worden aangenomen omtrent de inhoud en de strekking van de vervangende rechtshandeling, mede aan de hand van hetgeen door de wet, de gewoonte en de redelijkheid en billijkheid wordt meegebracht. A.S. Hartkamp betoogt dat in beginsel hieraan is voldaan indien de vervangende rechtshandeling aan partijen verschaft wat zij blijkens de (nietig verklaarde) overeenkomst in economisch opzicht wilden bereiken. In dat geval worden de belangen van partijen beter gediend met een conversie dan met een nietigheid zonder meer, zodat het in beginsel redelijk is aan hen de vervangende rechtsgevolgen op te leggen. De subjectieve component ziet Hartkamp hierin: de bepaling beoogt uit te sluiten de conversie in een rechtshandeling die partijen, naar uit de omstandigheden van het geval blijkt, ook dan niet zouden hebben verricht indien zij de nietige rechtshandeling wegens haar nietigheid achterwege zouden hebben gelaten(9). Ik voeg hieraan slechts toe, dat wanneer de rechter ongevraagd een nietige rechtshandeling converteert in een geldige rechtshandeling waarover partijen zich nog niet hebben uitgesproken, de kans groot is dat de beslissing in strijd komt met de regel van hoor en wederhoor. Vanuit dat processuele oogpunt kan het wenselijk zijn dat de partij die zich op conversie beroept tijdig aangeeft naar welke vorm(en) van conversie haar gedachten uitgaan, opdat de wederpartij gelegenheid krijgt zich daarover uit te spreken. Aan dit laatste vereiste wordt door de stellingen van [eiseres] ruimschoots voldaan. In het licht van de wettelijke maatstaf voor conversie is dan ook onbegrijpelijk op welke grond het hof tot het oordeel is gekomen dat voor conversie onvoldoende is gesteld. Mijn slotsom is dat onderdeel 7 slaagt.
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/eb3266ccaefe5162520e31c7940fc77b7c7cf7b492be8684faee4d61cbe2c281. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt eb3266ccaefe5162520e31c7940fc77b7c7cf7b492be8684faee4d61cbe2c281, en de alinea staat in dat document op bytes 37701 tot 40391.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/eb3266ccaefe5162520e31c7940fc77b7c7cf7b492be8684faee4d61cbe2c281 | shasum -a 256