Citaat | Parket bij de Hoge Raad 22 november 2002
Alinea 23 Parket bij de Hoge Raad 22 november 2002
Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 22 november 2002, ECLI:NL:PHR:2002:AE8474.
- In (nog weer) andere gevallen wordt de uitzondering - vooral - ingegeven door de gedachte dat de betreffende aanspraak zodanig met de persoon van de rechthebbende verknocht is, dat het niet te billijken valt om die aanspraak door anderen te laten uitoefenen, óf dat het niet te billijken valt dat anderen daar profijt van trekken (in de tweede variant komt deze gedachte op vrijwel hetzelfde neer als de onder het vorige "gedachtenstreepje" besprokene). In deze categorie komen ook gevallen voor waarin het gewoon onmogelijk is dat een ander dan de rechthebbende het recht uitoefent. Zoals hierna in alinea's 7 - 9 te bespreken wekt de Parlementaire Geschiedenis - in uitgesproken mate - de indruk dat de uitzonderingspositie die de wet - in art. 6:106 lid 2 BW - voor smartengeld inruimt, berust op het eerste van de twee zojuist omschreven motieven.
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/2f5f74046575988c4181878920632c495599eb0b79100fdd751ad9f9a72a6c1e. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 2f5f74046575988c4181878920632c495599eb0b79100fdd751ad9f9a72a6c1e, en de alinea staat in dat document op bytes 9439 tot 10306.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/2f5f74046575988c4181878920632c495599eb0b79100fdd751ad9f9a72a6c1e | shasum -a 256