Citaat | Parket bij de Hoge Raad 22 november 2002

Alinea 30 Parket bij de Hoge Raad 22 november 2002

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 22 november 2002, ECLI:NL:PHR:2002:AE8474.

De wetsgeschiedenis bevestigt, dat dat ook inderdaad de bedoeling is: de bijzondere positie van de aanspraak op smartengeld is alléén ingegeven door de (evenzeer bijzondere) mate van verknochtheid die met de rechthebbende bestaat. Alleen aan deze, zo heeft de wetgever geoordeeld, mag het te beslissen zijn of de aanspraak op smartengeld geldend wordt gemaakt; bij leven van de betrokkene is het ook aan hem om te bepalen in welke vorm dat gebeurt. De aanspraak op smartengeld houdt te nauw verband met het aan de rechthebbende aangedane onrecht en met de manier waarop deze dat onrecht en/of het daardoor veroorzaakte leed heeft ervaren, om die beslissing(en) aan een ander te kunnen of mogen overlaten(12).

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/2f5f74046575988c4181878920632c495599eb0b79100fdd751ad9f9a72a6c1e. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 2f5f74046575988c4181878920632c495599eb0b79100fdd751ad9f9a72a6c1e, en de alinea staat in dat document op bytes 14603 tot 15326.