Citaat | Parket bij de Hoge Raad 22 november 2002

Alinea 31 Parket bij de Hoge Raad 22 november 2002

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 22 november 2002, ECLI:NL:PHR:2002:AE8474.

8. Daarbij heeft - voorzover uit de wetsgeschiedenis blijkt - niet meegewogen dat de aanspraak op smartengeld vanwege zijn aard of vanwege de bestemming van dergelijke schadevergoeding - bijvoorbeeld vanwege het (bijzonder zwaarwegende) belang dat de rechthebbende daarbij zou hebben - voor een uitzonderingspositie in aanmerking zou (moeten) komen. Dat komt trouwens ook tot uiting in de regeling, zoals die in de wet is neergelegd: want als dit wèl (mede) de aan die regeling ten grondslag liggende ratio zou zijn, zou er geen reden zijn om weer een uitzondering op de uitzondering te maken voor aanspraken die in rechte geldend zijn gemaakt of in een overeenkomst zijn vastgelegd. Het valt immers niet in te zien dat het belang van de rechthebbende bij zijn aanspraak daardoor wezenlijk van karakter of van gewicht verandert.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/2f5f74046575988c4181878920632c495599eb0b79100fdd751ad9f9a72a6c1e. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 2f5f74046575988c4181878920632c495599eb0b79100fdd751ad9f9a72a6c1e, en de alinea staat in dat document op bytes 15383 tot 16226.