Citaat | Parket bij de Hoge Raad 22 november 2002

Alinea 34 Parket bij de Hoge Raad 22 november 2002

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 22 november 2002, ECLI:NL:PHR:2002:AE8474.

9. Tegen die achtergrond is de keuze van de wetgever die in art. 6:106 lid 2 BW tot uitdrukking komt, geredelijk te begrijpen. De aanspraak op smartengeld wordt als hoogstpersoonlijk aangemerkt, en is in zoverre onttrokken aan beslag/executie en aan realisatie in het faillissement van de rechthebbende; maar dat geldt niet meer zodra de rechthebbende eenmaal de keus voor verwezenlijking van zijn aanspraak heeft gemaakt, en hij die aanspraak in een vordering of een overeenkomst heeft geconcretiseerd. De belangen met het oog waarop een uitzonderingspositie aan deze aanspraak moest worden toegekend zijn dan, in de kennelijk op dit punt door de wetgever gemaakte afweging, voldoende tot hun recht gekomen. Wat overblijft is (dus beoordeeld als) onvoldoende om nog langer een uitzonderingspositie te rechtvaardigen.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/2f5f74046575988c4181878920632c495599eb0b79100fdd751ad9f9a72a6c1e. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 2f5f74046575988c4181878920632c495599eb0b79100fdd751ad9f9a72a6c1e, en de alinea staat in dat document op bytes 16871 tot 17701.