Citaat | Parket bij de Hoge Raad 20 december 2002

Alinea 25 Parket bij de Hoge Raad 20 december 2002

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 20 december 2002, ECLI:NL:PHR:2002:AE8828.

2.1.3. De huurder van bedrijfsruimte wordt bij onteigening van het gehuurde ingevolge art. 42, lid 1, Onteigeningswet volledig schadeloos gesteld. Daarentegen zijn de overige huurders, waaronder die van woningen en onbebouwd onroerend goed, alsmede de beroepsbeoefenaren, aangewezen op de forfaitaire vergoeding van art. 42, leden 2 en 3 , Onteigeningswet. Onder de huurder van bedrijfsruimte in de zin van art. 42, lid 1, is te verstaan de huurder van bedrijfsruimte in de zin van art. 7A:1624 BW; dat wil zeggen de bedrijfsruimte bestemd voor de uitoefening van een kleinhandelsbedrijf, een restaurant- of cafébedrijf, een afhaal- en besteldienst, of van een ambachtsbedrijf, een en ander indien een voor het publiek toegankelijk lokaal voor de rechtstreekse levering van goederen en diensten aanwezig is, alsmede voor de uitoefening van een hotelbedrijf en een kampeerbedrijf. Voorts valt onder de werking van art. 42, lid 1, de huurder van een andere gebouwde onroerende zaak die voor de uitoefening van een bedrijf is verhuurd. In concreto gaat het hier om objecten als fabrieken, opslagruimtes en werkplaatsen; niet om kantoren en ruimten die voor de uitoefening van een beroep worden gebezigd.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/0bd58facbd3b6438bc4730550f9c54172b6c0427abfe40a963e9fa920b3ebda9. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 0bd58facbd3b6438bc4730550f9c54172b6c0427abfe40a963e9fa920b3ebda9, en de alinea staat in dat document op bytes 7717 tot 8932.