Citaat | Parket bij de Hoge Raad 26 november 2002

Alinea 33 Parket bij de Hoge Raad 26 november 2002

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 26 november 2002, ECLI:NL:PHR:2002:AE8903.

11. Zou de raadsman louter - zonder nadere etikettering - hebben aangevoerd dat zijn cliënt detentieongeschikt is omdat hij blind is en een geleidehond niet kan worden meegenomen in de gevangenis, dan had het hof daarin geen beroep op detentieongeschiktheid behoeven te zien. Hoe hard het ook is, genoemde omstandigheden staan niet zonder meer aan een menswaardige tenuitvoerlegging van een gevangenisstraf in de weg. Nu de raadsman zijn verweer echter bovendien als een beroep op detentieongeschiktheid heeft aangeduid, meen ik dat in het onderhavige geval van een toereikend beroep op detentieongeschiktheid sprake is. Daarbij geeft voor mij uiteindelijk de doorslag hetgeen AG mr. Leijten schreef in zijn conclusie bij HR 16 maart 1982, NJ 1982, 507: verdachte heeft zich dan wel aan ernstige strafbare feiten schuldig gemaakt, maar dat mag nog niet meebrengen dat aan een voor de strafoplegging zo essentieel verweer als hier aan de orde "in diepste stilzwijgen" kan worden voorbijgegaan.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/ee3e49c8c23df02e8640bc837baeb5f0552e21e35f2b815ad262e08399f3227b. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt ee3e49c8c23df02e8640bc837baeb5f0552e21e35f2b815ad262e08399f3227b, en de alinea staat in dat document op bytes 11601 tot 12607.