Citaat | Parket bij de Hoge Raad 26 november 2002

Alinea 35 Parket bij de Hoge Raad 26 november 2002

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 26 november 2002, ECLI:NL:PHR:2002:AE8903.

13. Hoewel ik mij niet kan voorstellen dat het hof een zo opmerkelijke omstandigheid als de visuele handicap van verdachte bij de strafoplegging niet heeft meegewogen en ik de afweging die het hof kennelijk heeft gemaakt in het licht van de ernst van de bewezenverklaarde feiten niet zonder meer onbegrijpelijk acht, meen ik dat het hof daarvan verantwoording had moeten afleggen(1). Het hof heeft dat niet gedaan. Anders dan de rechtbank heeft het hof zelfs niet de - voor de verwerping van een beroep op detentieongeschiktheid overigens ontoereikende - moeite genomen de handicap van verdachte uitdrukkelijk te noemen als een persoonlijke omstandigheid die bij de bepaling van de straf met name in aanmerking is genomen. Het arrest van het hof kan dus niet in stand blijven.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/ee3e49c8c23df02e8640bc837baeb5f0552e21e35f2b815ad262e08399f3227b. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt ee3e49c8c23df02e8640bc837baeb5f0552e21e35f2b815ad262e08399f3227b, en de alinea staat in dat document op bytes 13446 tot 14235.