Citaat | Parket bij de Hoge Raad 20 december 2002

Alinea 31 Parket bij de Hoge Raad 20 december 2002

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 20 december 2002, ECLI:NL:PHR:2002:AE9391.

3.4. Het lijkt mij dat het niet de bedoeling van de president kan zijn geweest de Orde aan te merken als een organisatie aan wie de behartiging van de belangen van consumenten is toevertrouwd. Waarschijnlijk heeft de president bedoeld hiermee aan te geven dat het belang van de advocaten in het arrondissement Zutphen bij het doen staken van de misleidende medelingen parallel loopt met het consumentenbelang. Het belang waarvoor de Orde opkomt blijft m.i.: het belang van de advocaten in het arrondissement. De regel van art. 6:194 onder i BW beoogt zowel concurrenten als consumenten te beschermen. Dit volgt uit de parlementaire geschiedenis van de laatstgenoemde bepaling(6). Slechts volledigheidshalve noteer ik dat art. 6:194 BW samenhangt met voorschriften van gemeenschapsrecht(7). Uit het voorgaande volgt dat een schending van art. 6:194 onder i BW in beginsel onrechtmatig kan zijn jegens de advocaten in het arrondissement Zutphen voor zover deze advocaten als concurrenten van Juresta Card zijn aan te merken. Middel I, dat niet bestrijdt dat de advocaten in dit arrondissement voor de toepassing van deze bepaling als concurrenten zijn aan te merken, faalt.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/ee4eb08a72c51f2270d7f59dd4f1aec1647404dd261ea0bc1832cf9a1555beba. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt ee4eb08a72c51f2270d7f59dd4f1aec1647404dd261ea0bc1832cf9a1555beba, en de alinea staat in dat document op bytes 15356 tot 16540.