Citaat | Parket bij de Hoge Raad 20 december 2002

Alinea 33 Parket bij de Hoge Raad 20 december 2002

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 20 december 2002, ECLI:NL:PHR:2002:AE9391.

3.6. Middel III ziet op het inhoudelijke geschil. In de gedingstukken wordt verwezen naar HR 15 december 2000, NJ 2001, 57. In die zaak ging het om een enigszins vergelijkbare vraag, namelijk: of een architectenbureau zich "Architectenburo Alb. van de Visch B.V." mocht noemen, hoewel het voeren van de titel "architect" wettelijk is voorbehouden aan geregistreerde architecten en de genoemde Alb. van de Visch niet een geregistreerde architect was. In het incidenteel cassatiemiddel van de Stichting Bureau Architectenregister werd bepleit aansluiting te zoeken bij art. 66a (oud) WvK, hetgeen zou betekenen dat de rechtspersoon het woord "architect" of een afkorting daarvan in zijn naam mag voeren indien tenminste de helft van haar beherende vennoten of bestuurders geregistreerde architecten zijn. De Hoge Raad heeft die zienswijze verworpen. Een rechtspersoon is gerechtigd de benaming architectenbureau of een soortgelijke aanduiding te voeren indien de bouwkundige activiteiten van die rechtspersoon worden uitgevoerd door of onder de feitelijke leiding van een natuurlijk persoon die op grond van de wet gerechtigd is de titel architect te voeren.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/ee4eb08a72c51f2270d7f59dd4f1aec1647404dd261ea0bc1832cf9a1555beba. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt ee4eb08a72c51f2270d7f59dd4f1aec1647404dd261ea0bc1832cf9a1555beba, en de alinea staat in dat document op bytes 17319 tot 18489.