Citaat | Parket bij de Hoge Raad 6 december 2002

Alinea 60 Parket bij de Hoge Raad 6 december 2002

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 6 december 2002, ECLI:NL:PHR:2002:AE9402.

15. In de onderhavige zaak heeft de deurwaarder zich op de voet van art. 604 Rv (oud) gewend tot de president van de rechtbank; daarbij heeft de president het voortijdig einde van de lijfsdwang op de voet van art. 598j Rv (oud) aan de orde gesteld (wat hem vrij stond, reeds omdat het daarbij om een ambtshalve uit te oefenen bevoegdheid gaat). Deze bevoegdheid raakt echter onmiskenbaar wezenlijke belangen van zowel de executant als de geëxecuteerde. Wil daarbij een uitzondering op het recht op rechterlijk gehoor toelaatbaar zijn, dan moet het zo zijn dat - zoals art. 438 lid 4 Rv dat expliciet tot uitdrukking brengt - de urgentie van de te treffen maatregel die uitzondering geboden doet zijn.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/bbbef6529b7875713a5061e608ef96c0c0873a5308665bcb2d553b5b6946a828. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt bbbef6529b7875713a5061e608ef96c0c0873a5308665bcb2d553b5b6946a828, en de alinea staat in dat document op bytes 20599 tot 21314.