Citaat | Parket bij de Hoge Raad 6 december 2002
Alinea 62 Parket bij de Hoge Raad 6 december 2002
Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 6 december 2002, ECLI:NL:PHR:2002:AE9402.
16. De argumenten van het middel die een andere opvatting aandringen - dat betreft dan de alinea's 1.2 en 1.3 van de toelichting - gaan daarom volgens mij niet op. Ik meen dat het middel tevergeefs steun zoekt in de wetsgeschiedenis bij de wet van 4 december 1947, Stb. 412. Nog daargelaten dat de opvattingen over het belang van het recht op gehoor zoals die destijds opgeld deden, ten dele door de ontwikkelingen van de laatste decennia zijn achterhaald, verwijst die wetsgeschiedenis in het bijzonder naar de (als informeel en flexibel omschreven) rechtsgang in kort geding. In de rechtsgang in kort geding wordt - anders dan als het gaat om bepaalde, naar hun aard spoedeisende beslissingen op rekest die aan de voorzieningenrechter zijn opgedragen - de wederpartij van de aanlegger, ongeacht de spoedeisendheid van de zaak, opgeroepen en (als hij verschijnt) gehoord. De wetsgeschiedenis levert in dit opzicht eerder een argument op voor de door het hof aanvaarde opvatting, dan voor die van het middel.
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/bbbef6529b7875713a5061e608ef96c0c0873a5308665bcb2d553b5b6946a828. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt bbbef6529b7875713a5061e608ef96c0c0873a5308665bcb2d553b5b6946a828, en de alinea staat in dat document op bytes 21730 tot 22751.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/bbbef6529b7875713a5061e608ef96c0c0873a5308665bcb2d553b5b6946a828 | shasum -a 256