Citaat | Parket bij de Hoge Raad 6 december 2002

Alinea 63 Parket bij de Hoge Raad 6 december 2002

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 6 december 2002, ECLI:NL:PHR:2002:AE9402.

17. De gedachte dat de aanwezigheid van de executerende deurwaarder voldoende zou zijn om aan het recht op gehoor recht te doen (al. 1.4 van de toelichting op het middel), beoordeel ik als onaannemelijk. Het recht op gehoor wordt erkend - en daaraan wordt hoge prioriteit gegeven - omdat partijen daardoor voor hun belangen kunnen opkomen en elkaar met "equality of arms" tegemoet kunnen treden. Men kan niet verwachten dat de executerende deurwaarder erop is toegerust om voor de partij die hij vertegenwoordigt, deze rol waar te nemen - al was het maar omdat de instructies waarover een deurwaarder gewoonlijk kan beschikken, daartoe ten enen male onvoldoende zijn, en omdat van partijen ook niet verwacht mag worden dat zij "hun" deurwaarder wèl van toereikende instructies voorzien. Van rechterlijk gehoor dat aan de daaraan te stellen minimum-eis beantwoordt, kan dan in dit verband niet worden gesproken.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/bbbef6529b7875713a5061e608ef96c0c0873a5308665bcb2d553b5b6946a828. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt bbbef6529b7875713a5061e608ef96c0c0873a5308665bcb2d553b5b6946a828, en de alinea staat in dat document op bytes 22771 tot 23695.