Citaat | Parket bij de Hoge Raad 10 december 2002
Alinea 52 Parket bij de Hoge Raad 10 december 2002
Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 10 december 2002, ECLI:NL:PHR:2002:AE9632.
21. De vraag rijst of zich hier de situatie heeft voorgedaan waarop art. 359a Sv doelt, zoals de steller van het middel wél heeft betoogd. Het begrip "vormverzuim" heeft in art. 359a Sv een wijde strekking. Eronder vallen de schending van voorschriften die betrekking hebben op de formele inrichting van het onderzoek in strafzaken, maar ook normschendingen bij de opsporing. De Hoge Raad spreekt ook wel van 'onregelmatigheden'.(2) Van belang is voorts dat art. 359a Sv vormverzuimen betreft die niet meer hersteld kunnen worden. Het hof heeft het betreurenswaardig geacht dat de locatiegegevens niet zijn opgevraagd toen dat nog mogelijk was. Ik meen dat hier sprake is van een zekere verwarring die het hof zélf door een ongelukkige woordkeuze heeft gezaaid. Die verwarring betreft twee fasen in het onderzoek. Het OM heeft kennelijk reeds op 10 december 1999 [A] verzocht om gegevens te verstrekken over telefoongesprekken via een gsm met het nummer dat aan de politie bekend was geworden. Toen [A] daarop op 21 februari 2000 reageerde met het bericht dat met genoemd GSM-toestel op de bewuste datum geen gesprekken waren gevoerd heeft het OM telefonisch contact gezocht met [A] waarbij werd opgemerkt dat er bij KPN Telecom van het bewuste telefoongesprek wel registratie had plaatsgevonden, dit in tegenstelling tot de door [A] verstrekte informatie. Vervolgens heeft [getuige 1] aan het OM op 7 april 2000 een printlijst doen toekomen.(3) Het hof heeft de bewijsmiddelen die de rechtbank bezigde aangevuld onder meer met een brief van [A] van 9 mei 2001, waarin [getuige 3] bevestigt dat locatiegegevens maar drie maanden bewaard blijven. Op 7 april 2000 was deze termijn van drie maanden al lang verlopen.(4) De treurnis van het hof kan dus enkel betrekking hebben op de periode vóór 7 april 2000. De inspanningen van de verdediging om de locatiegegevens boven water te krijgen dateren van de tweede periode, nadat verdachte (voor de tweede keer(5)) werd aangehouden op 18 juni 2000, welke periode ligt ná deze datum. Dat het OM in de eerste periode niet heeft geprobeerd de locatiegegevens te bemachtigen is niet zo vreemd, gelet op het feit enerzijds dat er voldoende aanwijzingen waren dat het slachtoffer inderdaad op een bepaalde plaats en tijdstip met de bewuste gsm naar haar vriend heeft gebeld, anderzijds op het feit dat in het stadium waarin die gegevens nog wel bereikbaar waren de verdediging geen aanleiding heeft gegeven tot het instellen van zo een nader onderzoek. Van een vormverzuim is in die eerste periode geen sprake. Niet kan immers gezegd worden dat het nalaten informatie te vragen die in dat eerste stadium niet relevant lijkt een onrechtmatigheid of onregelmatigheid oplevert.
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/3ce60624bd554ef018462f07aec4f4e87ff0c535ba3ccef160701a0ecc859c11. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 3ce60624bd554ef018462f07aec4f4e87ff0c535ba3ccef160701a0ecc859c11, en de alinea staat in dat document op bytes 23086 tot 25815.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/3ce60624bd554ef018462f07aec4f4e87ff0c535ba3ccef160701a0ecc859c11 | shasum -a 256