Citaat | Parket bij de Hoge Raad 15 november 2002
Alinea 28 Parket bij de Hoge Raad 15 november 2002
Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 15 november 2002, ECLI:NL:PHR:2002:AF0585.
[eiseres] heeft voorts betoogd dat zij geen aanleiding had te veronderstellen dat [verweerder] ten tijde van het ontslag onder invloed handelde van een geestelijke stoornis en een beroep gedaan op art. 3:35 BW (rov. 4.6). De juistheid van dit verweer kan in het midden blijven. De ingrijpende gevolgen die een eenzijdig ontslag in beginsel voor de werknemer heeft, kunnen meebrengen dat [eiseres], hoezeer zij de desbetreffende uitingen als een ontslag mocht opvatten, [verweerder] toch niet aan die ontslagneming mag houden, indien niet aan haar zijde sprake is van nadeel. In het gegeven geval zijn geen omstandigheden komen vast te staan op grond waarvan [eiseres], door handelen of nalaten gebaseerd op het gerechtvaardigd vertrouwen dat het dienstverband was geëindigd, in een nadeliger positie is komen te verkeren dan waarin zij zou hebben verkeerd als zij dit vertrouwen niet zou hebben gehad (rov. 4.7- 4.12).
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/31a453ad262996f547135f458246a68d917c320c322e678ad92251c3c94867f3. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 31a453ad262996f547135f458246a68d917c320c322e678ad92251c3c94867f3, en de alinea staat in dat document op bytes 10268 tot 11200.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/31a453ad262996f547135f458246a68d917c320c322e678ad92251c3c94867f3 | shasum -a 256