Citaat | Parket bij de Hoge Raad 17 december 2002
Alinea 16 Parket bij de Hoge Raad 17 december 2002
Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 17 december 2002, ECLI:NL:PHR:2002:AF0625.
8. In de onderhavige zaak gaat het om de vraag of de verdachte zijn uit art. 6, derde lid, sub c EVRM voortvloeiende recht om zich ter zitting te kunnen laten bijstaan door een raadsman van zijn keuze, heeft kunnen effectueren. Het gaat hier dus om een belangrijke verdragsverplichting. Daarom dient de Hoge Raad de mogelijkheid te hebben de juistheid van de onderhavige beslissing tot op zekere hoogte te kunnen controleren. Motivering van de beslissing is dus onmisbaar en wordt door de Hoge Raad kennelijk geëist. Vgl. HR 17 maart 1998, NJ 1998, 501, waarin de Hoge Raad de afwijzing van een verzoek tot aanhouding onvoldoende gemotiveerd achtte.
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/fe4454182f3849136fb58b30c5b8acb1cf10b25bbc3185782e34b5813eb45ad8. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt fe4454182f3849136fb58b30c5b8acb1cf10b25bbc3185782e34b5813eb45ad8, en de alinea staat in dat document op bytes 6899 tot 7562.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/fe4454182f3849136fb58b30c5b8acb1cf10b25bbc3185782e34b5813eb45ad8 | shasum -a 256