Citaat | Parket bij de Hoge Raad 17 december 2002
Alinea 28 Parket bij de Hoge Raad 17 december 2002
Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 17 december 2002, ECLI:NL:PHR:2002:AF0625.
19. Het Hof heeft bewezenverklaring van het "redelijkerwijs had moeten vermoeden" gebaseerd op de verklaring van de verdachte dat hij het vermoeden kreeg dat de generator van diefstal afkomstig zou kunnen zijn. Omdat uit de bewijsmiddelen niet blijkt dat verdachte dat vermoeden kreeg ten tijde van het voorhanden krijgen van de generator en het Hof opzetheling niet bewezen heeft geacht, heeft het Hof kennelijk als volgt geredeneerd: iemand die ten tijde van het voorhanden hebben van het goed het vermoeden krijgt dat het goed van diefstal afkomstig zou kunnen zijn, heeft ten tijde van het voorhanden krijgen redelijkerwijs moeten vermoeden dat het een door misdrijf verkregen goed betrof. Die redenering gaat niet zonder meer op, alleen al niet omdat iemand pas door gebeurtenissen na het voorhanden krijgen argwaan kan hebben gekregen. Nog los daarvan valt aan de feitelijke omstandigheid dat men te eniger tijd na het voorhanden krijgen bedoeld vermoeden krijgt, niet zonder meer het normatieve oordeel te ontlenen dat men ten tijde van het verkrijgen dat vermoeden had behoren te hebben.
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/fe4454182f3849136fb58b30c5b8acb1cf10b25bbc3185782e34b5813eb45ad8. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt fe4454182f3849136fb58b30c5b8acb1cf10b25bbc3185782e34b5813eb45ad8, en de alinea staat in dat document op bytes 12646 tot 13755.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/fe4454182f3849136fb58b30c5b8acb1cf10b25bbc3185782e34b5813eb45ad8 | shasum -a 256