Citaat | Parket bij de Hoge Raad 20 december 2002

Alinea 35 Parket bij de Hoge Raad 20 december 2002

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 20 december 2002, ECLI:NL:PHR:2002:AF2283.

2.9. In het onderhavige geval lijken de vereisten die art. 52 Ow stelt aan het instellen van cassatie, niet geheel in acht te zijn genomen. Het is niet zonder meer duidelijk of [eiser] een verklaring ter griffie heeft afgelegd. Gelet op de gang van zaken op de griffie van de Rechtbank, zoals die blijkt uit de in de paragrafen 2.6 en 2.7 weergegeven telefoongesprekken, moet mijns inziens worden aangenomen dat [eiser] zich op de Rechtbank vervoegde teneinde een cassatieverklaring als bedoeld in art. 52 Ow af te leggen. Dat van deze verklaring geen akte is opgemaakt, kan hem niet worden tegengeworpen. Op - de griffie van - de Rechtbank rust mijns inziens een zorgplicht een procespartij die in persoon een cassatieverklaring komt afleggen, bij te staan. De rechtsbescherming zou anders ernstig in het gedrang komen. Ik meen dan ook dat de verklaring door [eiser] op 6 mei 2002, derhalve tijdig, en op de juiste wijze is afgelegd.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/c0328d2b11282748f1ffce57321dcdcb1ed034f4059ba4701142e5db862c0cc7. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt c0328d2b11282748f1ffce57321dcdcb1ed034f4059ba4701142e5db862c0cc7, en de alinea staat in dat document op bytes 11121 tot 12069.