Citaat | Parket bij de Hoge Raad 5 september 2003

Alinea 321 Parket bij de Hoge Raad 5 september 2003

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 5 september 2003, ECLI:NL:PHR:2003:AE8398.

2.25 De relevantie van de intenties van de verdragspartijen ten tijde van de verdragsluiting voor de interpretatie van het verdrag behoeft mijns inziens geen betoog.(24) De wetgeving van de andere Staat wordt relevant geacht omdat aan het OESO-modelverdrag wederkerigheid (reciprocity) ten grondslag ligt (zie 2.18). Wanneer een niet-omschreven verdragsterm in de wetgeving van de andere Staat dezelfde betekenis heeft als in de wetgeving van de toepassingsstaat, dan is dat een reden om die betekenis te volgen. Dit stelt de (nationale) rechter echter voor nogal een taak: elke verdragsterm die in het verdrag niet omschreven wordt maar wel een betekenis heeft volgens het recht van de toepassingsstaat, moet (steeds) worden geïnterpreteerd aan de hand van de context, die mede wordt bepaald door het recht van de andere Staat ten tijde van het jaar waarop het verdrag moet worden toegepast.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/7bee235e274e542310662440f70c1ccd440a155644171e7c25690852852e988a. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 7bee235e274e542310662440f70c1ccd440a155644171e7c25690852852e988a, en de alinea staat in dat document op bytes 128504 tot 129410.