Citaat | Parket bij de Hoge Raad 5 september 2003

Alinea 376 Parket bij de Hoge Raad 5 september 2003

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 5 september 2003, ECLI:NL:PHR:2003:AE8398.

De vorm, de benaming en de omvang van de winsttoerekening lijken mij echter niet doorslaggevend. Zou de Franse CFC-wetgeving een fictieve opbrengst van aandelen in de Zwitserse dochter in aanmerking hebben genomen, en die gesteld hebben op het naar Franse maatstaven berekende bedrag van de winst van de Zwitserse dochter, zodat formeel wel, maar materieel geen verschil zou bestaan met de feitelijke CFC-wetgeving, dan zou dat formele verschil mijns inziens geen andersluidend arrest van de Conseil d'État opgeleverd hebben. Hetzelfde geldt indien niet de gehele winst van de Zwitserse dochter, maar slechts haar voor uitdeling beschikbare - maar niet uitgekeerde - winst zou worden toegerekend aan haar Franse moeder. Ook dat zou mijns inziens geen reden zijn om aan de exclusieve toewijzing ex art. 7 van de winst aan Zwitserland voorbij te gaan. Art. 29a Wet IB 1964 belast echter niet de winst van de dochter, doch de fictieve opbrengst van de aandelen in de dochter, berekend als een percentage van de waarde van de aandelen, zij het dat dat voordeel verminderd wordt in zoverre er onvoldoende ruimte bestaat om het uit te keren. Men kan dus menen dat het verband tussen het fictieve dividend en de winst van de dochter onvoldoende is om te oordelen dat in feite de winst van de dochter wordt belast.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/7bee235e274e542310662440f70c1ccd440a155644171e7c25690852852e988a. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 7bee235e274e542310662440f70c1ccd440a155644171e7c25690852852e988a, en de alinea staat in dat document op bytes 159928 tot 161249.