Citaat | Parket bij de Hoge Raad 5 september 2003

Alinea 295 Parket bij de Hoge Raad 5 september 2003

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 5 september 2003, ECLI:NL:PHR:2003:AE8403.

3.13 In de genoemde conclusie heb ik vervolgens betoogd dat fictieve opbrengst van fictieve pensioenafkoop wél een (fictief) "bestanddeel van het inkomen" vormt dat causaal verbonden is met een bron van inkomen (nl. de vroegere dienstbetrekking) zodat art. 22 (het restartikel) van het (oude) verdrag met België van toepassing is. Uw eerste kamer heeft in het arrest NJ 2001, 106, de zaak (een kort geding op basis van art. 6:162 BW) afgedaan met de relativiteitstheorie (de eisende pensioenuitwijkelingen konden volgens uw eerste kamer geen rechten ontlenen aan art. 27, lid 7, Wet LB omdat die bepaling (slechts) tot bescherming van het belang van de inhoudingsplichtige pensioenverzekeraar strekt) en heeft daarom de verdragskwalificatie van het fictieve loon uit vroegere dienstbetrekking in het midden gelaten.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/d7bc190f6b5e30c10008e2451cf6ab11460ff29ee3cb3c3ab0ff54401f8aa07f. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt d7bc190f6b5e30c10008e2451cf6ab11460ff29ee3cb3c3ab0ff54401f8aa07f, en de alinea staat in dat document op bytes 119050 tot 119881.