Citaat | Parket bij de Hoge Raad 5 september 2003

Alinea 368 Parket bij de Hoge Raad 5 september 2003

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 5 september 2003, ECLI:NL:PHR:2003:AE8403.

3.44 Art. 33, lid 6, Wet IB 1964 bepaalde dat ingeval een belastingplichtige en de vennootschap waarin hij een aanmerkelijk belang hield, overeen waren gekomen dat de inkomsten getrokken uit door de belastingplichtige aan de vennootschap ter beschikking gestelde zaken op een ongebruikelijk tijdstip zouden worden genoten, daar voor het bepalen van het genietingstijdstip geen rekening mee zou worden gehouden. Deze bepaling heeft zijn belang verloren bij de invoering van art. 3.92 Wet IB 2001 en is dan ook niet teruggekeerd in de Wet IB 2001. Het NSV kent aan de bronstaat geen heffingsrecht toe voor voordelen uit roerende zaken; wel voor inkomsten uit onroerende zaken (art. 6 NSV). Ook die bepaling ziet slechts op verkregen inkomsten. Daarvoor geldt dus hetzelfde als hierboven, 3.43, betoogd ter zake van de RUS-fictie.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/d7bc190f6b5e30c10008e2451cf6ab11460ff29ee3cb3c3ab0ff54401f8aa07f. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt d7bc190f6b5e30c10008e2451cf6ab11460ff29ee3cb3c3ab0ff54401f8aa07f, en de alinea staat in dat document op bytes 169934 tot 170775.