Citaat | Parket bij de Hoge Raad 31 januari 2003
Alinea 116 Parket bij de Hoge Raad 31 januari 2003
Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 31 januari 2003, ECLI:NL:PHR:2003:AE8406.
4.27 Valt de belanghebbende onder de Verordening en wijst deze Nederland aan, dan is hij verzekerde, want hij viel internrechtelijk als zelfstandige uitsluitend op grond van zijn niet-ingezetenschap buiten de verzekering, welk criterium vervangen wordt door een plaats-van-arbeid-criterium. Vast staat dat de belanghebbende in 1994 in Nederland werkte. Dan rijst de laatste in onderdeel 4.9 gestelde vraag, nl. of Nederland internrechtelijk de bevoegdheid tot premieheffing bezit. Art. 6 van de Wet Financiering Volksverzekeringen (WFV) bepaalde (tot aan de "Verduidelijkingswet") slechts dat "de verzekerde" premieplichtig is voor de volksverzekeringen. U oordeelde in HR 8 juli 1997, BNB 1997/310, met conclusie Van Soest en noot Kavelaars, dat geen sprake is van premieplicht indien de verzekering geen nationaalrechtelijke basis heeft maar slechts voortvloeit uit de sterke werking van de Verordening. U overwoog dat de in Titel II van de Verordening opgenomen toewijzingsregels slechts leiden tot premieplicht indien de bevoegdheid tot premieheffing haar grondslag vindt in de sociale-zekerheidswetgeving van de lidstaat waarvan de wetgeving ingevolge die toewijzingsregels van toepassing is. U heeft dat ernstig bekritiseerde maar mijns inziens juiste arrest impliciet bevestigd in HR 28 februari 2001, BNB 2001/198, met conclusie Wattel en noot Kavelaars. De wetgever heeft, om zijns inziens ongewenste gevolgen van het arrest te voorkomen, een "Verduidelijkingswet" (12) in werking doen treden die onder meer inhield de invoeging van art. 6a AOW (13a Anw, art. 5b AWBZ, etc.), zulks met terugwerkende kracht tot en met 1 januari 1989. In mijn conclusie voor HR 28 februari 2001, BNB 2001/198, heb ik betoogd dat die terugwerkende kracht, hoewel niet chic, niet in strijd komt met de algemene beginselen van Gemeenschapsrecht of het eigendomsgrondrecht (art. 1 Eerste Protocol EVRM), noch met de eisen van een behoorlijk proces (art. 6 EVRM), en dat de discriminatieverboden in art. 14 EVRM en art. 26 IVBPR evenmin aan de terugwerkende kracht in de weg staan. Art. 6a AOW luidt (sinds 15 mei 1998 (met terugwerkende kracht tot 1 januari 1989)):
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/5f13ce7233e62b37ecd04dd548cb6da5bb5ec6fa286acb17b8ac8ff738f7b196. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 5f13ce7233e62b37ecd04dd548cb6da5bb5ec6fa286acb17b8ac8ff738f7b196, en de alinea staat in dat document op bytes 53228 tot 55393.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/5f13ce7233e62b37ecd04dd548cb6da5bb5ec6fa286acb17b8ac8ff738f7b196 | shasum -a 256