Citaat | Parket bij de Hoge Raad 8 april 2003

Alinea 34 Parket bij de Hoge Raad 8 april 2003

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 8 april 2003, ECLI:NL:PHR:2003:AE8771.

13. Naar mijn inzicht brengt ook het subsidiariteitsbeginsel uit zijn aard met zich mee dat de rechter slechts in beperkte mate kan onderzoeken of het is geschonden. Dat vloeit voort uit de omstandigheid dat de officier van justitie, op het moment waarop hij moet beslissen over de toepassing van bijzondere opsporingsbevoegdheden, vrijwel nooit in staat is met grote nauwkeurigheid het gewicht van alle in aanmerking te nemen belangen vast te stellen. Met name in een betrekkelijk vroeg stadium van het onderzoek kan geen precieze aanduiding van het door de vermoedelijk begane feiten aangerichte kwaad worden gevergd. A fortiori kan de officier van justitie van tevoren niet volledig overzien welk nadeel de toepassing van onderzoeksbevoegdheden voor individuele belanghebbenden mee zal brengen.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/ecc7d7e3d52f0557dc10303a9d519c94e538372e004175e67fbc0f34acf3950e. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt ecc7d7e3d52f0557dc10303a9d519c94e538372e004175e67fbc0f34acf3950e, en de alinea staat in dat document op bytes 14885 tot 15695.