Citaat | Parket bij de Hoge Raad 8 april 2003
Alinea 36 Parket bij de Hoge Raad 8 april 2003
Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 8 april 2003, ECLI:NL:PHR:2003:AE8771.
15. Ten aanzien van de inzet van infiltranten is eerder beslist dat bij het toetsen van die opsporingsmethode aan het subsidiariteitsbeginsel niet behoeft te zijn gebleken dat minder ingrijpende opsporingsmiddelen niet tot het beoogde resultaat hebben gevoerd. De redelijke verwachting dat die minder bezwarende opsporingsmiddelen geen afdoende resultaat zullen opleveren volstaat, vgl HR NJ 1990, 239 en HR NJ 1994, 294. Inmiddels lijkt de Hoge Raad dat ook te hebben aangenomen met betrekking tot de 'kroongetuige', de getuige die zijn verklaring aflegt nadat hem een tegenprestatie is toegezegd, vgl HR 9 juli 2002, griffienr 00965/01.
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/ecc7d7e3d52f0557dc10303a9d519c94e538372e004175e67fbc0f34acf3950e. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt ecc7d7e3d52f0557dc10303a9d519c94e538372e004175e67fbc0f34acf3950e, en de alinea staat in dat document op bytes 16271 tot 16922.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/ecc7d7e3d52f0557dc10303a9d519c94e538372e004175e67fbc0f34acf3950e | shasum -a 256