Citaat | Parket bij de Hoge Raad 8 april 2003
Alinea 48 Parket bij de Hoge Raad 8 april 2003
Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 8 april 2003, ECLI:NL:PHR:2003:AE8771.
Namens de klaagster werd gesteld dat computerhackers veelvuldig sporen achterlaten, en dat het voor (gespecialiseerde) opsporingsambtenaren veelal mogelijk is die sporen te achterhalen en op een verdachte, althans de computer waarvandaan is gewerkt, te herleiden. Dat is niet meer dan een algemene stelling. Ter onderbouwing daarvan is er weliswaar op gewezen dat het Federal Bureau of Investigations binnen korte tijd, zonder afbreuk te doen aan een vrije nieuwsgaring, de verspreider van een virus wist te achterhalen, maar dit voorbeeld kan de stelling niet werkelijk onderbouwen. Handelingen waardoor een virus wordt verspreid zijn niet noodzakelijk dezelfde handelingen waardoor bestanden uit een 'gekraakt' computersysteem worden gekopieerd. Bovendien is bij dit voorbeeld niet vermeld of de in de Amerikaanse wetgeving neergelegde bevoegdheden waarover het Federal Bureau of Investigation kon beschikken overeenkomen met de opsporingsbevoegdheden die de Nederlandse wetgeving kent.
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/ecc7d7e3d52f0557dc10303a9d519c94e538372e004175e67fbc0f34acf3950e. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt ecc7d7e3d52f0557dc10303a9d519c94e538372e004175e67fbc0f34acf3950e, en de alinea staat in dat document op bytes 21458 tot 22459.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/ecc7d7e3d52f0557dc10303a9d519c94e538372e004175e67fbc0f34acf3950e | shasum -a 256