Citaat | Parket bij de Hoge Raad 14 januari 2003
Alinea 21 Parket bij de Hoge Raad 14 januari 2003
Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 14 januari 2003, ECLI:NL:PHR:2003:AE8779.
7. Het oude artikel 321 Sv betekende dat alle getuigen die door de officier van justitie na aanhouding op eigen initiatief of op verzoek van de verdediging werden (moesten worden: art. 263 lid 3 Sv) opgeroepen, door de rechter moesten worden gehoord, tenzij de rechtbank, zoals was voorzien in art. 280 lid 7 Sv met toestemming van de officier van justitie en de verdachte van hun verhoor afzag. Van enige toetsing aan het noodzakelijkheidscriterium zoals vervat in art. 315 Sv was dus geen sprake. Daarom werd in HR 25 febr. 1992, nr. 90856, NJB 1992, katern blz. 185, nr. 171, beslist dat een verzoek tot schorsing teneinde door de raadsman na een eerdere schorsing opgegeven doch niet verschenen getuigen te horen, niet kon worden afgewezen met de overweging dat het hof een schorsing van het onderzoek voor het doen horen van die getuigen niet in het belang van het onderzoek noodzakelijk achtte.
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/ee9d89215d2ad75ff7a85f01974001d2b880657aaae5ce5ebb53119c8d4ce516. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt ee9d89215d2ad75ff7a85f01974001d2b880657aaae5ce5ebb53119c8d4ce516, en de alinea staat in dat document op bytes 8206 tot 9120.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/ee9d89215d2ad75ff7a85f01974001d2b880657aaae5ce5ebb53119c8d4ce516 | shasum -a 256