Citaat | Parket bij de Hoge Raad 14 januari 2003

Alinea 23 Parket bij de Hoge Raad 14 januari 2003

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 14 januari 2003, ECLI:NL:PHR:2003:AE8779.

9. Uit de memorie van toelichting(2) blijkt niet dat de wetgever verder enige wijziging in het hiervoor geschetste stelsel van de oude wet heeft willen brengen en voortaan de rechter ten aanzien van door de verdachte op de voet van art. 321 jo. 263 Sv opgegeven getuigen de gelegenheid heeft willen geven van het horen van die getuigen af te zien omdat de noodzaak van het horen niet is gebleken (de maatstaf van art. 315 Sv). Hoewel de wet art. 288 Sv niet met zoveel woorden van toepassing verklaart, valt moeilijk aan te nemen dat de regeling als vervat in de art. 260 lid 1 en 263 wel van toepassing is, maar - in afwijking van het stelsel van de wet vóór 1 februari 1998 - het sluitstuk van deze regeling, thans vervat in de art. 264 en 288 Sv, niet(3). Voorts valt met toepassing van het noodzaakcriterium en daarmee van art. 315 Sv niet te rijmen dat verdachte of zijn raadsman hun verzoek tot het horen van bepaalde getuigen moeten richten tot de officier van justitie en niet tot de rechter terwijl bovendien de officier van justitie - zonder tussenkomst van de rechter ! - verplicht is de door de verdachte of zijn raadsman genoemde getuigen op te roepen.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/ee9d89215d2ad75ff7a85f01974001d2b880657aaae5ce5ebb53119c8d4ce516. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt ee9d89215d2ad75ff7a85f01974001d2b880657aaae5ce5ebb53119c8d4ce516, en de alinea staat in dat document op bytes 10030 tot 11211.