Citaat | Parket bij de Hoge Raad 14 januari 2003

Alinea 24 Parket bij de Hoge Raad 14 januari 2003

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 14 januari 2003, ECLI:NL:PHR:2003:AE8779.

10. Toepasselijkheid van het noodzaakcriterium ten aanzien van door de verdachte aan de officier van justitie opgegeven getuigen staat ook op gespannen voet met de bevoegdheid die de wet aan de officier van justitie geeft om na schorsing door hem gewenste getuigen op te roepen zonder dat de wet de rechter enige mogelijkheid biedt daarin te sturen(4). Zie de uitdrukkelijke verwijzing in art. 321 lid 1 Sv naar art. 260 lid 1 Sv. De wetgever heeft immers op geen enkele wijze laten blijken dat en waarom in het geval van art. 321 Sv de officier van justitie na aanhouding vrijelijk getuigen en deskundigen zou kunnen doen dagvaarden, doch dat ten aanzien van door verdachte gewenste getuigen een strengere maatstaf zou moeten worden aangelegd.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/ee9d89215d2ad75ff7a85f01974001d2b880657aaae5ce5ebb53119c8d4ce516. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt ee9d89215d2ad75ff7a85f01974001d2b880657aaae5ce5ebb53119c8d4ce516, en de alinea staat in dat document op bytes 11231 tot 11988.