Citaat | Parket bij de Hoge Raad 8 april 2003

Alinea 11 Parket bij de Hoge Raad 8 april 2003

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 8 april 2003, ECLI:NL:PHR:2003:AE9231.

5. Bij de aanvang van de behandeling, ter terechtzitting van 3 oktober 2000, vroeg de raadsman akte van de omstandigheid dat de behandeling in hoger beroep werd aangevangen terwijl het in het procesdossier gevoegde vonnis onvolledig was. Ter terechtzitting van 17 mei 2001 heeft de raadsman, blijkens de aldaar overgelegde pleitaantekeningen, aangevoerd dat de verdediging ernstig werd benadeeld doordat het niet mogelijk was op te komen tegen de in eerste aanleg gekozen bewijsconstructie. Er werd gesteld dat daardoor art. 6, derde lid, onder b, EVRM was geschonden, nu de verdediging niet beschikte over voldoende faciliteiten om de verdediging voor te breiden. Bovendien, zo werd betoogd, was art. 6, eerste lid onder a, EVRM in ieder geval naar de geest geschonden omdat het achterwege blijven van de in eerste aanleg opgebouwde bewijsconstructie mee zou brengen dat verzoeker niet in bijzonderheden op de hoogte was gebracht van de aard en reden van de tegen hem ingebrachte beschuldiging. Daarnaast werd gewezen op het schenden van de desbetreffende bepalingen in het Wetboek van Strafvordering voor de Nederlandse Antillen.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/ca98436e4647be7251824c940073bfe6883e8d54aa1d1d669bec1104a37f3f49. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt ca98436e4647be7251824c940073bfe6883e8d54aa1d1d669bec1104a37f3f49, en de alinea staat in dat document op bytes 7491 tot 8635.