Citaat | Parket bij de Hoge Raad 8 april 2003

Alinea 142 Parket bij de Hoge Raad 8 april 2003

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 8 april 2003, ECLI:NL:PHR:2003:AE9231.

Zo het Hof tot uitdrukking heeft willen brengen dat het op verzoeker uitgeoefende geweld niet van voldoende ernst is geweest om het als een schending van art. 3 EVRM aan te merken acht ik dit oordeel niet aanstonds begrijpelijk. Het zou, dunkt mij, nadere motivering behoeven waarom het met een wapenstok slaan van een gedetineerde, wiens handen op dat moment op zijn rug geboeid zijn, niet is aan te merken als een vorm van mishandeling die de door het EHRM aangeduide grens overschrijdt. Ik neem de vrijheid er in dit verband nog op te wijzen dat bij de in eerste aanleg overgelegde pleitaantekeningen foto's zijn gevoegd die moeten uitwijzen dat op verzoekers rug letsel is achtergebleven. Het is niet geheel uit te sluiten dat het Hof het oog heeft gehad op bijzondere omstandigheden die mee hebben gebracht dat het slaan van verzoeker niet is aan te merken als een ernstige en vernederende vorm van geweld, bijvoorbeeld de omstandigheid dat de toegebrachte slagen een reactie waren op geweld dat van verzoeker zelf is uitgegaan. Daaromtrent blijkt echter niets, zodat ik deze overweging, indien zij als een feitelijke waardering van het geweld moet worden opgevat, onvoldoende gemotiveerd zou achten.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/ca98436e4647be7251824c940073bfe6883e8d54aa1d1d669bec1104a37f3f49. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt ca98436e4647be7251824c940073bfe6883e8d54aa1d1d669bec1104a37f3f49, en de alinea staat in dat document op bytes 62945 tot 64163.