Citaat | Parket bij de Hoge Raad 8 april 2003

Alinea 80 Parket bij de Hoge Raad 8 april 2003

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 8 april 2003, ECLI:NL:PHR:2003:AE9231.

De vaststelling dat [getuige 1] en [getuige 2] zijn vervolgd en berecht wegens overtreding van de Opiumlandsverordening brengt, dunkt mij, tot uitdrukking dat het Hof zich rekenschap heeft gegeven van de ernst van de door henzelf begane feiten. In het licht van de stukken van het geding acht ik 's Hofs oordeel dat het sluiten van overeenkomsten met deze personen niet strijdig is met het proportionaliteits- en het subsidiariteitsbeginsel voldoende gemotiveerd. Daarbij kan het er voor worden gehouden dat het Gemeenschappelijk Hof er met de woorden "marginale toetsing" op heeft gedoeld dat het slechts had na te gaan of de officier van justitie, gelet op de omstandigheden die hem destijds bekend konden zijn, in redelijkheid tot het doen van de toezeggingen heeft kunnen besluiten. Daarin is geen onjuiste rechtsopvatting te vinden.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/ca98436e4647be7251824c940073bfe6883e8d54aa1d1d669bec1104a37f3f49. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt ca98436e4647be7251824c940073bfe6883e8d54aa1d1d669bec1104a37f3f49, en de alinea staat in dat document op bytes 41376 tot 42227.