Citaat | Parket bij de Hoge Raad 10 januari 2003
Alinea 40 Parket bij de Hoge Raad 10 januari 2003
Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 10 januari 2003, ECLI:NL:PHR:2003:AF0122.
Middelonderdeel 2 komt op tegen 's Hofs oordeel in rechtsoverweging 3.10 dat Octant niet kan worden verweten de (uiteindelijke) bestemming niet te hebben medegedeeld "nu er bij [eiseres] (nog) geen zekerheid was omtrent de uiteindelijke bestemming van de opstal". Geklaagd wordt dat het Hof heeft miskend dat beslissend is of de door het Hof bedoelde onzekerheid bij [eiseres] omtrent de bestemming een omstandigheid oplevert die een redelijk bekwaam en redelijk handelend assurantietussenpersoon ertoe brengt maatregelen te nemen die ertoe leiden dat aan de verzekeraar tijdig de inlichtingen worden verstrekt die hem ervan zullen weerhouden naderhand een beroep erop te doen dat hij op grond van gewijzigde omstandigheden van zijn vergoedingsplicht is ontslagen. Voorts wordt opgekomen tegen 's Hofs tweede volzin van rechtsoverweging 3.10 waarin het Hof overwoog dat [A] bovendien wat betreft de bestemming voldoende geïnformeerd was nu haar buitendienstmedewerker zich van de plannen omtrent de beoogde bestemming op de hoogte had gesteld. In dat verband wordt - onder meer - betoogd dat deze overweging onbegrijpelijk is voorzover het Hof heeft geoordeeld dat [eiseres] aan haar meldingsplicht heeft voldaan en dat de verzekeraars zich ten onrechte hebben beroepen op onbekendheid met risicowijzigingen waaronder leegstand. Voorts wordt geklaagd dat onbegrijpelijk is waarom en in welk opzicht [A] door [eiseres] voldoende geïnformeerd was omtrent de beoogde bestemming nu de buitendienstmedewerker zijn informatie heeft gebaseerd op mededelingen van de vorige eigenaar van het pand en voorts sprake was van volstrekt verschillende "beoogde bestemmingen". Middelonderdeel 3 komt op tegen 's Hofs rechtsoverwegingen 3.11 en 3.12. De in dit middelonderdeel vervatte klachten strekken ten betoge dat gezien de in art. 2.24 van de verzekeringsvoorwaarden opgenomen meldingsplicht betreffende "leegstand" en gegeven de omstandigheid dat de vaststaande feiten geen andere conclusie toelaten dan dat de opstal in ieder geval vanaf 31 december 1991 tot aan het evenement van de brand op 25 december 1992 leeg heeft gestaan, zonder nadere redengeving, die ontbreekt, onbegrijpelijk is 's Hofs oordeel dat - gegeven het feit dat het niet ongebruikelijk is dat een pand na het vertrek van een vorige eigenaar enige tijd buiten gebruik is en dat [A] ermee bekend was dat de vorige eigenaar het pand zou verlaten - "het niet doorgeven van het feit dat de opstal gedurende enige tijd buiten gebruik was" niet zo ernstig is dat kan worden gesproken van een handelen als van een onzorgvuldig assurantietussenpersoon; daarbij wordt benadrukt dat het Hof geen feiten en omstandigheden heeft vastgesteld op grond waarvan Octant, die met het vertrek van [betrokkene 1] bekend was, redelijkerwijze heeft mogen aannemen dat geen leegstand zich zou voordoen dan wel dat de leegstand naar verwachting minder dan acht weken na het vertrek van [betrokkene 1] zou duren.
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/9ccb2882e9b84d35accf27c833457414fb89cd825e0e73087b60477b2d334397. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 9ccb2882e9b84d35accf27c833457414fb89cd825e0e73087b60477b2d334397, en de alinea staat in dat document op bytes 20245 tot 23208.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/9ccb2882e9b84d35accf27c833457414fb89cd825e0e73087b60477b2d334397 | shasum -a 256