Citaat | Parket bij de Hoge Raad 24 januari 2003

Alinea 81 Parket bij de Hoge Raad 24 januari 2003

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 24 januari 2003, ECLI:NL:PHR:2003:AF0148.

2.4.2 Inzake veroordeling in de proceskosten heeft de rechter een discretionaire bevoegdheid, waarvan de uitoefening in cassatie slechts in beperkte mate ter toets kan staan. Hoofdregel is veroordeling van de in het ongelijk gestelde partij in de kosten. Art. 56, eerste lid, Rv geeft de rechter de bevoegdheid daarvan naar eigen inzicht af te wijken bij nodeloos gemaakte proceskosten, HR 19 dec. 1958, NJ 1959, 129 en HR 5 oktober 2001, NJ 2001, 651. Of aanleiding bestaat voor compensatie van de kosten is aan het oordeel van de feitenrechter overgelaten, HR 9 apr. 1954, NJ 1954, 309 en HR 15 okt. 1982, NJ 1983, 328.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/e9bf48bb5b832a1794462944dc5b6a3cd590bc1deeefd6a44515a55c810f044b. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt e9bf48bb5b832a1794462944dc5b6a3cd590bc1deeefd6a44515a55c810f044b, en de alinea staat in dat document op bytes 29083 tot 29717.