Citaat | Parket bij de Hoge Raad 10 januari 2003
Alinea 65 Parket bij de Hoge Raad 10 januari 2003
Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 10 januari 2003, ECLI:NL:PHR:2003:AF0183.
25) Dit lijkt mij (ook) in overeenstemming met de regels die uit de recente rechtspraak van de Hoge Raad naar voren komen: voor vorderingen die berusten op dezelfde grondslag als een in een ontbindingsprocedure verzochte vergoeding is, nadat daarover in de ontbindingsprocedure is beslist, geen plaats (HR 2 november 2001, NJ 2001, 667, rov. 3.4). Hetzelfde geldt voor vorderingen waarvan het in de rede had gelegen, die in een in een ontbindingsprocedure beoordeeld verzoek om een billijke vergoeding te betrekken - maar dat geldt niet voor vorderingen die geen (relevant) verband houden met de (wijze van) beëindiging van de arbeidsovereenkomst en de gevolgen van die beëindiging (HR 1 maart 2002, RvdW 2002, 52, rov. 3.4). Uitzonderingen op deze (vuist)regels zijn denkbaar (HR 24 oktober 1997, NJ 1998, 257 m.nt. PAS, rov. 5.1, slot); maar - aldus mijn eigen slotsom - het is dan aan degeen die de uitzondering inroept, om aannemelijk te maken dat aan de voorwaarden daarvoor is voldaan.
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/4acaccebf8b559f18ba43afc07e4703c569273f1052e3d16440c24861c09522e. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 4acaccebf8b559f18ba43afc07e4703c569273f1052e3d16440c24861c09522e, en de alinea staat in dat document op bytes 34729 tot 35735.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/4acaccebf8b559f18ba43afc07e4703c569273f1052e3d16440c24861c09522e | shasum -a 256