Citaat | Parket bij de Hoge Raad 24 januari 2003
Alinea 42 Parket bij de Hoge Raad 24 januari 2003
Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 24 januari 2003, ECLI:NL:PHR:2003:AF0189.
In die gevallen waarin een werkgever ter uitvoering van pensioentoezeggingen op grond van art. 2 PSW tot een bedrijfspensioenfonds is toegetreden, een ondernemingspensioenfonds aan zijn onderneming heeft verbonden of een pensioenverzekering voor zijn werknemers heeft gesloten, geldt hetgeen betrokkenen aan (toekomstige) pensioentermijnen hebben te vorderen, niet de werkgever, maar het betrokken fonds of de betrokken verzekeraar, zoals in de PSW bedoeld. Het zijn echter slechts vorderingen jegens de werkgever die de wet privilegieert. Reeds om die reden miste art. 1195 aanhef en onder (3(6) en) 4 (oud) BW (en mist het huidige art. 3: 288 aanhef en onder c en d BW) betekenis in door de PSW beheerste situaties. Zulks vindt bevestiging in de wetsgeschiedenis. Uit de wetsgeschiedenis blijkt, dat ook niet was beoogd dat de bevoorrechting van vorderingen van pensioentermijnen zich tot door de PSW beheerste situaties zou uitstrekken.
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/34578cfaab509a8ba1c5cf4f999883497414e1006f08fdaa4e19a789d1521695. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 34578cfaab509a8ba1c5cf4f999883497414e1006f08fdaa4e19a789d1521695, en de alinea staat in dat document op bytes 15202 tot 16154.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/34578cfaab509a8ba1c5cf4f999883497414e1006f08fdaa4e19a789d1521695 | shasum -a 256