Citaat | Parket bij de Hoge Raad 24 januari 2003

Alinea 53 Parket bij de Hoge Raad 24 januari 2003

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 24 januari 2003, ECLI:NL:PHR:2003:AF0189.

2.7 Latere ontwikkelingen geven geen aanleiding de bepaling van art. 3:288 aanhef en onder d BW een ruimere strekking toe te kennen. In navolging van de rapporten van de commissie Houwing(14) en de interdepartementale werkgroep Voorrecht en bodemrecht(15) is in 1992 een wetsvoorstel, houdende een algemene regeling van de bevoorrechting van vorderingen, ingediend.(16) Naar aanleiding van de constatering van de commissie Houwing dat de overeenkomstig de PSW verzekerde pensioenaanspraken niet geldend worden gemaakt tegen de werkgever, maar tegen los van de werkgever staande ondernemings- en bedrijfspensioenfondsen en levensverzekeraars, voorziet het wetsvoorstel ter zake van de vorderingen in verband met de bijdragen bedoeld in art. 3a, eerste lid, en de vorderingen bedoeld in de art. 15 en 16 PSW in toekenning van een voorrecht aan de pensioenfondsen en -verzekeraars (en niet aan de werknemer)(17). Aan het wetsvoorstel ligt ten grondslag dat nog niet in een preferentie ter zake van vorderingen van achterstallige premies voor binnen het bereik van de PSW vallende pensioenen is voorzien. De maatregelen in de PSW en Werkloosheidswet (zie hiervóór, 2.6) hadden de risico's wel verminderd, maar niet volledig weggenomen:

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/34578cfaab509a8ba1c5cf4f999883497414e1006f08fdaa4e19a789d1521695. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 34578cfaab509a8ba1c5cf4f999883497414e1006f08fdaa4e19a789d1521695, en de alinea staat in dat document op bytes 22185 tot 23431.