Citaat | Parket bij de Hoge Raad 24 januari 2003

Alinea 60 Parket bij de Hoge Raad 24 januari 2003

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 24 januari 2003, ECLI:NL:PHR:2003:AF0189.

2.10 Subonderdeel 3.1 is gericht tegen rov. 5.4 (zie hiervóór, 1.5). Daarin heeft de rechtbank overwogen dat de preferentie van art. 3:288 aanhef en onder e BW, eerste zinsdeel BW slechts ziet op verplichtingen van de werkgever, die opeisbaar zijn geworden in het lopende of voorafgaande kalenderjaar en dat daarvan in het geval van [eiser] geen sprake is, omdat art. 8 lid 4 (oud) PSW IMK de vrijheid liet om de affinanciering over de periode van de ontslagdatum tot de pensioendatum uit te smeren. [Eiser] heeft in dit verband aangevoerd dat de affinancieringsverplichting, zoals in art. 8 lid 4 (oud) PSW besloten, inhoudt dat over iedere kalendermaand, gelegen tussen de datum van beëindiging van de deelneming en de datum van ingang van het ouderdomspensioen, een evenredig gedeelte van de vordering uit hoofde van de affinancieringsverplichting opeisbaar wordt. Aangezien zijn deelneming per 1 januari 1996 was beëindigd en zijn dienstverband tot 1 november 1998 heeft geduurd, heeft [eiser] over het ten tijde van de faillietverklaring lopende kalenderjaar 1999 en over het daaraan voorafgaande kalenderjaar ter zake van de affinancieringsverplichting van IMK een bedrag opeisbaar te vorderen.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/34578cfaab509a8ba1c5cf4f999883497414e1006f08fdaa4e19a789d1521695. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 34578cfaab509a8ba1c5cf4f999883497414e1006f08fdaa4e19a789d1521695, en de alinea staat in dat document op bytes 26218 tot 27436.