Citaat | Parket bij de Hoge Raad 24 januari 2003
Alinea 69 Parket bij de Hoge Raad 24 januari 2003
Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 24 januari 2003, ECLI:NL:PHR:2003:AF0189.
2.16 Naar mijn mening zijn de aanspraken van [eiser] jegens zijn (voormalige) werkgeefster tot affinanciering van zijn premievrije aanspraak niet onder art. 3:288 aanhef en onder e, eerste zinsdeel, geprivilegieerd en mist [eiser] daarom belang bij subonderdeel 3.1. Ik teken daarbij echter aan dat in de literatuur ook wel anders over de betekenis van het voorrecht voor premievorderingen wordt geoordeeld. Tulfer stelt (overigens slechts onder verwijzing naar Lutjens(27)) dat de werknemers tegenover de werkgever voor de niet afgedragen, op hun loon ingehouden pensioenpremies en voor de werkgeversbijdragen een bevoorrechte vordering op grond van art. 3:288 onder e BW hebben(28). Lutjens stelt in zijn door Tulfer aangehaalde artikel dat het voorrecht van art. 3:288 sub e BW mede de verschuldigde pensioenpremies omvat, zonder daarbij overigens tussen werknemers- en werkgeversbijdragen te onderscheiden(29).
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/34578cfaab509a8ba1c5cf4f999883497414e1006f08fdaa4e19a789d1521695. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 34578cfaab509a8ba1c5cf4f999883497414e1006f08fdaa4e19a789d1521695, en de alinea staat in dat document op bytes 33888 tot 34816.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/34578cfaab509a8ba1c5cf4f999883497414e1006f08fdaa4e19a789d1521695 | shasum -a 256