Citaat | Parket bij de Hoge Raad 24 januari 2003

Alinea 76 Parket bij de Hoge Raad 24 januari 2003

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 24 januari 2003, ECLI:NL:PHR:2003:AF0189.

Voor zover [eiser] zich met de geciteerde stellingen op het faillissement van IMK (en, in verband daarmee, impliciet op art. 6:40 BW en art. 131 Faillissement) heeft beroepen, had de rechtbank naar mijn mening niet, althans niet zonder nadere motivering, mogen oordelen, dat van opeisbare verplichtingen van de werkgever (in het geheel) geen sprake was. Ook in zoverre kan het subonderdeel echter niet tot cassatie leiden. Een ander oordeel over het tijdstip van opeisbaarheid van de verplichting tot affinanciering van de premievrije aanspraak brengt immers niet mee dat het ingeroepen voorrecht van art. 3:288 aanhef en onder e, eerste zinsdeel BW alsnog van toepassing kan worden geacht. Om dezelfde redenen als uiteengezet naar aanleiding van subonderdeel 3.1 mist [eiser] ook bij de klacht van het onderhavige subonderdeel belang.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/34578cfaab509a8ba1c5cf4f999883497414e1006f08fdaa4e19a789d1521695. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 34578cfaab509a8ba1c5cf4f999883497414e1006f08fdaa4e19a789d1521695, en de alinea staat in dat document op bytes 36627 tot 37475.