Citaat | Parket bij de Hoge Raad 31 januari 2003

Alinea 26 Parket bij de Hoge Raad 31 januari 2003

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 31 januari 2003, ECLI:NL:PHR:2003:AF0201.

9. De wetgever is er intussen niet blind voor geweest dat toepassing van, bijvoorbeeld, bandopnames(5) als bewijsmiddel voorzieningen nodig kon maken, onder meer met het oog op de rechten van de wederpartij in verband met het beginsel van hoor en wederhoor(6). Die gedachte onderschrijf ik volmondig(7). Een ter griffie gedeponeerde bandopname kan - en zal in de meeste gevallen - een grotere of kleinere hoeveelheid stellingen en daarvoor meer of minder relevante mededelingen, illustraties of andersoortige toelichtende gegevens (ik noem als voorbeelden grafieken of tabellen) bevatten. Wil dat materiaal als bewijsmiddel toelaatbaar zijn dan lijkt mij noodzakelijk dat de partijen van wie dat materiaal niet afkomstig is, er volledig van kunnen kennisnemen en dat die gelegenheid krijgen om er het hunne tegen in te brengen; maar lijkt mij, althans in veel gevallen, ook nodig dat die partijen zich ervan kunnen vergewissen in welk opzicht de rechter van dat materiaal kennis neemt (ik kom daarop in de alinea's 14 t/m 16 nog terug).

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/bfd9f2820a8cc99c7116e3aa2fe422fd553066214e0c94c7d2b5623a0128360a. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt bfd9f2820a8cc99c7116e3aa2fe422fd553066214e0c94c7d2b5623a0128360a, en de alinea staat in dat document op bytes 9254 tot 10304.