Citaat | Parket bij de Hoge Raad 31 januari 2003

Alinea 29 Parket bij de Hoge Raad 31 januari 2003

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 31 januari 2003, ECLI:NL:PHR:2003:AF0201.

11. Aan de hand van deze beschouwingen meen ik dat de rechter die ermee geconfronteerd wordt dat een partij zich op bewijsmateriaal in de vorm van bandopnames wil beroepen, niet gehouden is om zonder meer van dat materiaal kennis te nemen. Daarentegen is de rechter, denk ik, verplicht om zich af te vragen hoe kennisneming van dat materiaal kan plaatsvinden op een wijze die recht doet wedervaren aan de behoorlijke procesorde, en in het bijzonder aan het beginsel van hoor en wederhoor. Bij de "invulling" van deze verplichting kan het bepaald aangewezen zijn om van de partij die dit materiaal aandraagt te vragen, welk belang met de kennisneming daarvan gediend is (zoals het hof in de onderhavige zaak heeft gedaan). Door (het antwoord op) die vraag kan de nodige opheldering worden verkregen over de stellingen die aan het betreffende materiaal worden ontleend of die daarmee worden onderbouwd, en wat de kennisneming van het materiaal daartoe kan bijdragen. Daarmee kan aan de rechter de vereiste duidelijkheid worden verschaft over de beoordeling die van hem verlangd wordt en - met het oog op het grote belang dat aan het beginsel van hoor en wederhoor toekomt misschien nog gewichtiger - kan aan de andere partij(en) duidelijk worden gemaakt wat de strekking van het betreffende materiaal is en waartegen zij zich hebben te verweren.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/bfd9f2820a8cc99c7116e3aa2fe422fd553066214e0c94c7d2b5623a0128360a. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt bfd9f2820a8cc99c7116e3aa2fe422fd553066214e0c94c7d2b5623a0128360a, en de alinea staat in dat document op bytes 11470 tot 12826.