Citaat | Parket bij de Hoge Raad 31 januari 2003

Alinea 37 Parket bij de Hoge Raad 31 januari 2003

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 31 januari 2003, ECLI:NL:PHR:2003:AF0201.

Ofschoon ik, vanwege het in alinea's 8 t/m11 besprokene, meen dat deze vraag in de onderhavige zaak niet behoeft te worden beantwoord, ben ik geneigd te denken dat, juist omdat bij de kennisneming van bandopnames extra maatregelen ter waarborging van de eerlijke procesgang nodig (kunnen) zijn, de rechter in verband daarmee ook een grotere beleidsvrijheid heeft dan bij de kennisneming van schriftelijk (bewijs)materiaal geldt. Dat biedt de ruimte om te beslissen dat aan kennisneming van dergelijk materiaal geen behoefte bestaat, uit overwegingen vergelijkbaar met die die de rechter hanteert bij de beoordeling of hij een descente, een comparitie of een (nader) verhoor van deskundigen zal bevelen/toelaten.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/bfd9f2820a8cc99c7116e3aa2fe422fd553066214e0c94c7d2b5623a0128360a. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt bfd9f2820a8cc99c7116e3aa2fe422fd553066214e0c94c7d2b5623a0128360a, en de alinea staat in dat document op bytes 16742 tot 17466.