Citaat | Parket bij de Hoge Raad 4 maart 2003
Alinea 29 Parket bij de Hoge Raad 4 maart 2003
Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 4 maart 2003, ECLI:NL:PHR:2003:AF0227.
21. Het lijkt mij evident dat, als [getuige 1] en het openbaar ministerie buiten de door hen gesloten overeenkomst om zouden hebben afgesproken dat [getuige 1] de gelegenheid zou worden geboden te ontsnappen uit zijn gevangenschap, het ernstige vermoeden gerechtvaardigd is dat het hof, als het van deze afspraak had geweten, tot een andere uitspraak zou zijn gekomen. Allereerst zou 's hofs oordeel omtrent de proportionaliteit dan op losse schroeven komen te staan. Hetzelfde geldt voor 's hofs beoordeling van de betrouwbaarheid van de verklaring van [getuige 1] in het licht van de door de Staat te leveren (enorme) tegenprestatie. Bovendien lijkt een dergelijke afspraak mij een nog ernstiger inbreuk op de beginselen van behoorlijke strafvervolging dan die welke werd geconstateerd in HR NJ 1999, 567, zodat niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie in de vervolging in dat geval de enige passende sanctie zou zijn.
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/2ed2b5ab2f842762bed9d30e2343ccd17dce5068e508108d4879829284faed15. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 2ed2b5ab2f842762bed9d30e2343ccd17dce5068e508108d4879829284faed15, en de alinea staat in dat document op bytes 18816 tot 19764.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/2ed2b5ab2f842762bed9d30e2343ccd17dce5068e508108d4879829284faed15 | shasum -a 256