Citaat | Parket bij de Hoge Raad 10 januari 2003

Alinea 42 Parket bij de Hoge Raad 10 januari 2003

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 10 januari 2003, ECLI:NL:PHR:2003:AF0749.

3.14. Aldus dient de conclusie zich aan dat het middel niet kan slagen. De rechtsopvatting in het middel dat de maatstaf van de goede trouw van art. 288, lid 2, sub b, Fw slechts zou zien op gedragingen in de financiële sfeer, acht ik niet aannemelijk. Zou ik mij daarin vergissen, dan nog zou het middel m.i. vastlopen op 's hofs kennelijke oordeel als hierboven weergegeven en verstaan: nl. dat [verzoeker] zich bij zijn delictueuze gedragingen mede van de financiële implicaties daarvan voor zichzelf en voor zijn crediteuren bewust moet zijn geweest, maar niettemin daartoe is overgegaan. De déconfiture is daarmee géén 'zijdelings' gevolg van de door [verzoeker] gepleegde ontucht, althans niet van een zijdelingsheid als in het middel gesuggereerd. Aldus bezien mist het middel feitelijke grondslag.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/b36ce37f76442728854fec471a6387b08f7e839c21eda1f50674fad4415a66a0. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt b36ce37f76442728854fec471a6387b08f7e839c21eda1f50674fad4415a66a0, en de alinea staat in dat document op bytes 21790 tot 22613.