Citaat | Parket bij de Hoge Raad 4 februari 2003

Alinea 25 Parket bij de Hoge Raad 4 februari 2003

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 4 februari 2003, ECLI:NL:PHR:2003:AF1271.

Dat het Hof de na aanvang van de behandeling ter terechtzitting verstreken tijd voor rekening van de verdediging heeft laten komen acht ik, ook in het licht van hetgeen de raadsman ter zitting heeft aangevoerd, niet onbegrijpelijk. Het is immers de verdediging geweest die zich heeft aangesloten bij het verzoek van de verdediging van een medeverdachte de getuige [getuige 1] middels een rogatoire commissie in het buitenland te horen. Uit het door de advocaat-generaal ter zitting overgelegde overzicht van alle verrichte handelingen, blijkt dat van de zijde van het openbaar ministerie veel is gedaan om de rogatoire commissie tijdig te laten plaatsvinden. Ook het openbaar ministerie ging er blijkens de overgelegde stukken van uit dat de raadslieden bij het verhoor van [getuige 1] aanwezig zouden zijn. Dit is bij de Engelse autoriteiten kennelijk niet goed overgekomen, waardoor een gepland verhoor in augustus 2000 geen doorgang kon vinden. Dat het Hof ook de daarna opgelopen vertraging niet voor rekening van het openbaar ministerie heeft laten komen is in dat licht evenmin onbegrijpelijk. Ik neem daarbij nog in aanmerking dat men zeker niet zomaar kan zeggen dat de tijd tussen bijvoorbeeld het opgeven van getuigen door de verdediging en het tijdstip van het verhoor van die getuigen altijd nutteloos en ongebruikt verloopt. Het mooiste is natuurlijk als de verdediging vragen indient en per kerende post omstandig antwoord krijgt. Helaas leert de werkelijkheid dat zulke wensdromen niet uitkomen, zeker niet als getuigen in het buitenland gehoord moeten worden in een complexe strafzaak waarbij meerdere verdachten en hun advocaten betrokken zijn. Voordat deze getuigen kunnen worden gehoord moeten voorbereidende werkzaamheden worden verricht, moeten buitenlandse autoriteiten worden benaderd, moet gecommuniceerd worden met verschillende advocatenkantoren, moeten wellicht getuigen in het buitenland nog worden opgespoord, moet het dossier misschien weer bestudeerd worden door alle betrokkenen et cetera. Voorts kunnen zich tussendoor allerlei complicaties voordoen; bijvoorbeeld een nadere vordering gerechtelijk vooronderzoek zoals waarnaar de pleitnota van 19 november 1999 verwijst. De feitenrechter is de eerstaangewezene om zich op grond van wat hem uit het dossier en anderszins is gebleken over de voortgang van de zaak een oordeel te vormen over het tijdsverloop, en de inspanningen die in die tijd zijn verricht te waarderen. Zo een waardering is een typisch feitelijke kwestie die de Hoge Raad slechts marginaal toetst.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/b05cce2ee0e139ff9cbb9c88b9065b65f61772fdee60c2de690e0177d94b889a. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt b05cce2ee0e139ff9cbb9c88b9065b65f61772fdee60c2de690e0177d94b889a, en de alinea staat in dat document op bytes 15069 tot 17629.