Citaat | Parket bij de Hoge Raad 9 mei 2003
Alinea 103 Parket bij de Hoge Raad 9 mei 2003
Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 9 mei 2003, ECLI:NL:PHR:2003:AF1906.
4.16 Uit het voorgaande volgt dat het ondernemingsbegrip van art. 14 Wet Vpb. 1969 in materiële zin moet worden ingevuld. Zoals opgemerkt, is deze gevolgtrekking de resultante van een louter Nederlands-internrechtelijke analyse. Voor de vraag of hiermee kan worden volstaan, dient de Fusierichtlijn in de beschouwing te worden betrokken.
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/568a609f505c2cd3dee5991d9944377c56e4a8f71f11913e37c823963486040d. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 568a609f505c2cd3dee5991d9944377c56e4a8f71f11913e37c823963486040d, en de alinea staat in dat document op bytes 64994 tot 65346.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/568a609f505c2cd3dee5991d9944377c56e4a8f71f11913e37c823963486040d | shasum -a 256