Citaat | Parket bij de Hoge Raad 9 mei 2003

Alinea 158 Parket bij de Hoge Raad 9 mei 2003

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 9 mei 2003, ECLI:NL:PHR:2003:AF1906.

6.3 Volgens onderdeel A van middel II is het Hof uitgegaan van een onjuiste rechtsopvatting door in onderdeel 5.11 van zijn uitspraak te oordelen dat geen sprake was van een onderneming in materiële zin. Het Hof heeft daarbij ten onrechte mede betekenis toegekend aan (1) het tijdstip waarop tot sluiting van de winkels werd besloten en (2) aan de oprichtingsdatum van AA BV, waarmee ten onrechte de situatie op het overgangstijdstip (1 november 1998) buiten beschouwing is gelaten, aldus het middelonderdeel. In de toelichting op het middelonderdeel wordt gewezen op de inkomstenbelastingjurisprudentie betreffende de geleidelijke afbouw van activiteiten, waarbij pas van staking kan worden gesproken, indien de (resterende) activiteiten slechts van bijkomende aard zijn in vergelijking met de (voormalige) onderneming. Gelet op deze jurisprudentie, heeft het Hof ten onrechte (doorslaggevende) betekenis toegekend aan het moment waarop werd beslist tot de beëindiging van de bedrijfsactiviteiten, aldus punt 4 van de toelichting op het middelonderdeel.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/568a609f505c2cd3dee5991d9944377c56e4a8f71f11913e37c823963486040d. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 568a609f505c2cd3dee5991d9944377c56e4a8f71f11913e37c823963486040d, en de alinea staat in dat document op bytes 95508 tot 96577.