Citaat | Parket bij de Hoge Raad 9 mei 2003
Alinea 70 Parket bij de Hoge Raad 9 mei 2003
Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 9 mei 2003, ECLI:NL:PHR:2003:AF1906.
4.3 Het is de vraag of deze passage impliceert dat het ondernemingsbegrip van art. 14 Wet Vpb. 1969 materieel dient te worden ingevuld. Daarbij rijzen niet alleen vragen vanuit Europeesrechtelijk oogpunt (waarvoor wordt verwezen naar paragraaf 5 hierna), maar ook vragen die worden opgeroepen door de nationaalrechtelijke context van art. 14 Wet Vpb. 1969. Zo is het de vraag hoe een eventuele materiële invulling van het ondernemingsbegrip zich verhoudt tot art. 2, vijfde lid, Wet Vpb. 1969. Krachtens deze bepaling worden de lichamen, vermeld in art. 2, eerste lid, letters a, b en c, Wet Vpb. 1969 geacht hun onderneming te drijven met behulp van hun gehele vermogen. Dijstelbloem schrijft:
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/568a609f505c2cd3dee5991d9944377c56e4a8f71f11913e37c823963486040d. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 568a609f505c2cd3dee5991d9944377c56e4a8f71f11913e37c823963486040d, en de alinea staat in dat document op bytes 35702 tot 36410.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/568a609f505c2cd3dee5991d9944377c56e4a8f71f11913e37c823963486040d | shasum -a 256